naar de vorige pagina

Binnenschepenwet

naar de startpagina van Botterbehoud

Technische eisen voor schepen en de vakbekwaamheidseisen voor schippers.

Voor schepen die in Nederland op de binnenwateren varen waren er voor de inwerkingtreding van de Binnenschepenwet in 1981 nauwelijks wettelijke eisen voor de bouw, inrichting en uitrusting. Ook op het gebied van de vakbekwaamheid van de schippers was er nog niet veel geregeld.  
Sinds die tijd zijn in de Binnenschepenwet regels opgenomen om de veilige vaart van schepen en de goede arbeidsomstandigheden aan boord te bevorderen.     
De Binnenschepenwet richt zich voor wat betreft de eisen op het gebied van bouw, inrichting en uitrusting van schepen  voornamelijk op schepen die worden gebruikt in de bedrijfsmatige vaart.  
De vakbekwaamheidseisen gelden voor alle categorieën van schepen.

Dan rijst natuurlijk de vraag: wat betekent de term “’bedrijfsmatige vaart”. Aanvankelijk was dat in  Binnenschepenwet niet duidelijk aangegeven. Een recente wijziging van die wet geeft daar meer duidelijkheid over. Er is nu een zeer ruime definitie van het begrip “bedrijfsmatig” in de wet opgenomen. 
De nieuwe definitie luidt: “in uitoefening van een beroep of bedrijf of tegen vergoeding”.

Let hier op de term “tegen vergoeding”. Hier wordt niet alleen een vergoeding zoals gebruikelijk is in de beroepsmatige sfeer bedoeld, maar ook een vergoeding in de trant van een onkostenvergoeding, een contributie of sponsorgelden.

De term “bedrijfsmatig” bepaalt of de eisen voor de deugdelijkheid, de inrichting en de uitrusting op een schip van toepassing zijn, en het schip moet zijn voorzien van een certificaat van onderzoek, maar ook of de schipper in bepaalde gevallen voorzien moet zijn van een groot vaarbewijs.

Deze ruime definitie van de term “bedrijfsmatig”  betekent dus dat in veel gevallen de schepen van de leden van de Vereniging Botterbehoud onder de werkingssfeer van de Binnenschepenwet vallen.

De vakbekwaamheidseisen oftewel de vaarbewijsplicht.  
Een schipper dient bij het varen op de binnenwateren in het bezit te zijn van een geldig groot vaarbewijs als hij of zij vaart met :  

Als het een schip betreft dat hoofdzakelijk door zeilen wordt voortbewogen, kan de schipper in plaats van het bezit van een groot vaarbewijs volstaan met het bezit van een zeilbewijs.

Zowel het groot vaarbewijs als het zeilbewijs wordt afgegeven door de Stichting Koninklijk Onderwijsfonds voor de Scheepvaart (KOFS). Het examen voor de afgifte van dat zeilbewijs komt nagenoeg overeen met het examen voor het groot vaarbewijs II. Enkele niet relevante onderdelen zijn weggelaten, zoals het laden en lossen van schepen; andere onderdelen zijn toegevoegd, zoals de kennis van tuigage en stabiliteit van zeilschepen. 

Om in het bezit te komen van een groot vaarbewijs moet de leerling schipper aantoonbaar 3 jaar gevaren hebben als dekbemanning aan boord van een schip van minimaal 15 meter lengte. Voor het zeilbewijs moet men aantoonbaar tenminste 2 jaar hebben gevaren in dekdienst op een zeilschip van tenminste 15 meter lengte. Elk jaar moet tenminste 180 vaardagen bevatten. Deze vaardagen worden in het dienstenboekje van de leerling schipper genoteerd. Het KOFS wil soms naast het dienstenboekje ook kopieën van het vaartijdenboek aan boord. 

Een schipper dient in het bezit te zijn van een geldig klein vaarbewijs bij het varen op de binnenwateren indien hij vaart met :

Afhankelijk van het vaargebied is een vaarbewijs I of II vereist. Op de rivieren, kanalen  en “kleine” meren kan worden volstaan met een klein of groot vaarbewijs I. Voor de vaart op het IJsselmeer, het Markermeer, de Waddenzee, de Zeeuwse en Zuid Hollandse stromen en de Eems en de Dollard is een klein of groot vaarbewijs II vereist.  

Het certificaat van onderzoek.  
De (technische) eisen ten aanzien van het schip gelden hoofdzakelijk voor schepen die gebruikt worden in de “bedrijfsmatige vaart”, zoals schepen die worden gebruikt in het beroepsgoederenvervoer, maar ook voor schepen waarmee, buiten de bemanning, meer dan 12 personen worden vervoerd.  
Ook de “bedrijfsmatig” gebruikte zeilende schepen, waarmee meer dan 12 personen worden vervoerd, vallen hieronder.

In de Binnenschepenwetgeving worden de technische eisen gegeven waaraan het schip moet voldoen om in aanmerking te komen voor een ”Certificaat van Onderzoek”, als bewijs dat het schip technisch volwaardig is. Deze zijn ondergebracht in de “Gele Rules”, voor de zeilende binnenvaart met meer dan 12 passagiers.

De keuring van het schip, voorafgaand aan de certificering, wordt verricht door Register Holland, een erkend klassebureau voor de zeilvaart.  De “Gele Rules” zijn daar in boekvorm verkrijgbaar. 

Gemeentelijke vaarvergunning  
Voor zeilschepen die minder dan 12 passagiers vervoeren, maar langer zijn dan 15 meter  geldt dat zij op gebieden zoals IJsselmeer, Waddenzee, Friesland, een deel van de Zeeuwse wateren en de grote havensteden zoals Amsterdam en Rotterdam moeten zijn voorzien van een gemeentelijke vaarvergunning. De vergunning hoeft slechts in één gemeente te worden aangevraagd. 

U kunt de gemeentelijke vergunning ontvangen nadat Register Holland een Binnenvaart klassecertificaat heeft afgegeven op basis van de “Rode Rules”.  Ook de “Rode Rules” zijn bij Register Holland verkrijgbaar.  

Wat betekent dit nu allemaal in de praktijk.  
Een paar voorbeelden : 

Let wel, er is steeds gesproken over de vaart op de binnenwateren. Daaronder worden ook het IJsselmeer, het Markermeer, de Waddenzee, de Zeeuwse en Zuid-Hollandse stromen, de Eems en de Dollard begrepen.
Voor de vaart op zee gelden andere wettelijke voorschriften, en vaak aanvullende eisen.

Geen wettelijke eisen, welke dan wel?
Elk schip, dus ook een zeilende platbodem is een potentieel gevaarlijke omgeving.
Men kan niet zo maar weglopen als er problemen ontstaan en in veel gevallen is het schip voor hulpverleningsdiensten moeilijk bereikbaar om assistentie te verlenen.

Wanneer er zich aan boord een calamiteit voordoet, moet worden voorkomen dat er paniek uitbreekt. Daarom moet stress in bepaalde veiligheidssituaties aan boord beheersbaar worden gemaakt. Dat kan worden bereikt door goede kennis van het schip, de systemen, de tuigage, de inventaris en de veiligheidsuitrusting.  
Op een schip met een vaste bemanning is die kennis meestal wel aanwezig.

Anders is dat met een gelegenheidsbemanning. Vaak zijn dat vrijwilligers met in veel gevallen slechts weinig ervaring op de (ruime) binnenwateren. Hun inlevingsvermogen van gevaarssituaties op het water is in veel gevallen beperkt.  

Als een schip niet onder de werkingssfeer van de Binnenschepenwet of van een gemeentelijke vaarvergunning valt en er dus geen wettelijke eisen zijn voor de bouw, de inrichting en de uitrusting van dat schip en voor de vakbekwaamheid van de schipper, blijven de eigenaar, het bestuur van de vereniging of de stichting die het schip in eigendom of beheer heeft, en in alle gevallen ook de schipper van het schip verantwoordelijk voor de veiligheid van de bemanningsleden en de opvarenden.  Die verantwoordelijkheid gaat verder dan het accepteren van de aansprakelijkheid nadat er iets is voorgevallen. Zij moeten er ook voor zorgen dat de bemanning is voorbereid op en getraind is in de bestrijding van calamiteiten aan boord, dat er voldoende veiligheidsmiddelen aan boord zijn en dat de bemanning is getraind in het gebruik daarvan.  

De eigenaar of het bestuur van een vereniging of stichting die zo’n schip in eigendom of beheer heeft, zou er goed aan doen een werkgroep in te stellen, die voor het schip veiligheidsprocedures ontwikkelt.  
De procedures moeten zich vooral richten op de bewustwording van de eigen verantwoordelijkheid van elk bemanningslid in geval van een calamiteit aan boord. Ze moeten worden samengesteld aan de hand van de risico’s op dat gebied aan boord van het betreffende schip op het vaargebied waar het gewoonlijk vaart.  

Te denken valt aan het ontwikkelen van de volgende procedures:  

Die procedures vormen vervolgens de basis voor de training van de bemanningsleden.  
Voorwaarde voor het slagen van de training is dat de procedures worden gedragen door een ieder in de organisatie:  het bestuur, de leden van de vereniging, de schippers, de bemanningsleden en de vrijwilligers.  

De procedures mogen niet leiden tot dogma’s. Er zullen altijd momenten of situaties zijn waarop het veiliger is om af te wijken van de “regel”, op een vergelijkbare wijze als het toepassen van “goede zeemanschap”.  

Elk bemanningslid moet worden verplicht om de theoretische behandeling van de procedures te volgen. Kennis van de inhoud is echter niet voldoende; het daadwerkelijk oefenen in reële situaties in het gebruik van de veiligheids- en reddingsmiddelen is een absolute noodzaak. Het gaat dus vooral om de toepassing in het gebruik van de apparatuur en weten hoe het voelt. Ieder bemanningslid moet in noodsituaties in staat zijn om juist te handelen, zonder eerst een naslagwerk te raadplegen.  

Aansprakelijkheid voor passagiers
De vervoerder is aansprakelijk voor de passagier voor de tijd dat deze aan boord verblijft en gedurende het in- en uitstappen. De vervoerder moet in dit geval dus zorgen voor voldoende deugdelijke veiligheids- en reddingsmiddelen en voor een veilige in- en uitstap, en dus ook een deugdelijke loopplank.  

Voorbeeld van een materiaallijst veiligheidsmiddelen voor zeilende platbodems.