HOUTTEER
mag weer!
Door
Ruut Louwers
In
haar afgelopen vergadering heeft het Europese Comité, dat de stoffen
beoordeelt, vastgesteld dat houtteer (ook wel bruine teer, Stockholmer teer of
pine-tar) géén biocide is en dus uit de bijlage van richtlijn 98/08 (biociden)
verwijderd wordt. En dat betekent een einde aan het verbod op bruine teer!
Op
Scandinavisch initiatief werd voor het Comité betoogd dat de werking van
houtteer voornamelijk te danken is aan de afsluiting van het oppervlakte. Niet
alle wetenschappers waren het hiermee eens, maar de tegenstanders werden alsnog
overtuigd door het feit dat het gebruik zo beperkt is, dat de invloed van
giftige stoffen op het milieu zeer beperkt is en ook zal zijn. Er wordt namelijk
verwacht dat het gebruik zich zal beperken tot enkele historische gebouwen en
historische houten schepen.
Van
de verwijdering van de lijst komt geen officiële aankondiging. De
verantwoordelijke ambtenaar van het ministerie van VROM bevestigde echter
telefonisch de verwijdering en verwees simpelweg naar de nieuwe bijlage, waarin
houtteer niet meer voorkomt.
Dit
succes is dus vooral te danken aan onze Scandinavische medestanders
en ook aan onze Europese koepel European Maritime Heritage (EMH). Voor de
werkgroep Teer, die op de Beurs Klassieke Schepen 2006 in Enkhuizen
ontstond na een boeiende lezing over teer, betekent dit succes, dat we ons nu
verder volledig in de koolteer kunnen storten ... ! De werkgroep Teer bestaat
uit Siemon Medema (LVBHB en coatingdeskundige), Albert van Brakel (Chemicus en
historicus), Karel Helder (Botterbehoud), Thedo Fruithof (FONV) en Ruut Louwers
(LVBHB-bestuur en werkgroep voorzitter). De werkgroep Teer heeft voor houtteer
tot nu toe niet stil gezeten: Siemon en Albert hebben er een leesbare en
leerzame inventarisatie over geschreven, die we hadden willen gaan gebruiken als
basis voor ons lobby-werk. Deze inventarisatie willen we jullie graag aanbieden,
als bron van waardevolle kennis voor allen die geïnteresseerd zijn in
historische schepen.
Gebruik
van houtteer (pix liquida) op historische houten schepen.
Door Siemon Medema en Albert van Brakel.
Het
probleem van teer is dat het vaak onduidelijk is welk product nu precies bedoeld
wordt. Zo is er koolteer en houtteer, beide zijn teerproducten maar hebben een
verschillende samenstelling. Teer
is dus geen uniform product maar een containerbegrip voor allerlei
koolwaterstoffen met een variabele samenstelling, hoewel een paar basisch
elementen wel altijd aanwezig zijn.
Houtteer
geproduceerd via pyrolyse, dit laatste wil zeggen het verbranden of verkolen van
hout met een ondermaat aan zuurstof, levert nu eenmaal geen homogeen product op.
Pyrolyse is het ontleden van producten door
verhitting. In dit geval is het verhitting van hout in met graszoden afgedekte
kuilen waar het verbrandingsproces verloopt met een geminimaliseerde
luchthoeveelheid. Tijdens het proces wordt het bruine en kleverige teer
opgevangen in teertonnen, waarbij chemisch gezien de eerste tonnen altijd van
andere samenstelling zijn dan de inhoud van de laatste tonnen!
Houtteer, net als koolteer overigens, is een complex product en bestaat uit honderden verschillende componenten.[i] De complexiteit van teer is een gevolg van voortschrijdende verkoling van hout omdat gedurende het proces de temperatuur langzaam stijgt tot circa 450 ºC in de teerkuil en daarom wijzigt zich de chemische samenstelling van teer ook voortdurend.[ii]
In
de zeventiende eeuw was teerproductie in bosrijke gebieden als gevolg van
toenemende vraag door maritieme staten uitgegroeid tot een goed presterende
bedrijfstak. In Russische, Zweedse en Finse bossen werden van gekapte bomen de
achtergebleven boomstronken alsmede de eerder geprepareerde pijnbomen gebruikt
als grondstof voor teer. [iii]
. De eigenlijke productie van teer begon in het vroege voorjaar als stukken hout
in cirkelvormige kuilen van circa 4,5 meter in diameter werd gestapeld en
afgedekt met mos en zoden, een wijze van houtverbranding vergelijkbaar met het
bekendere houtskoolproces. Er was circa vijf tot zes kubieke meter hout nodig om
125 liter teer te produceren.
Hoewel
in principe teer van verschillende houtsoorten gewonnen kan worden schuilt in
het gebruik van harsrijk pijnbomenhout (de Pinus Sylvestrus) toch voor een groot
deel het geheim van de smid. Overvloedige aanwezigheid van hars in het hout
geeft teer namelijk zijn karakteristieke kleefkracht en zorgt voor de
elasticiteit van teer als product voor houtconservering. Wat vooral een enorm
voordeel heeft bij toepassing van dit product op bewegende objecten zoals
schepen nu eenmaal zijn.
Reeds
in de oudheid maakte men gebruik van houtteer voor conserveren van houten
schepen en hoewel dit vooral ingegeven werd door het feit dat er nog geen
dekkende verfsystemen bestonden was het ook toen al duidelijk dat door goed
onderhoud (jaarlijks teren van de schepen) de levensduur van die schepen
verlengd werd. In de zeventiende eeuw, toen de Oostinjevaarders van de Republiek
naar Indië voeren, nam door vloot uitbreiding de behoefte aan
houtconserveringsproducten als teer en pek enorm toe en daarom vervoerden in de
Gouden Eeuw Nederlandse schepen ieder
jaar tussen de 5000- en 6000 lasten teer en pek via de Sont naar de Republiek.[iv]
Hoewel
er vele gevaren dreigden tijdens de lange zeereizen en de houten schepen veel te
lijden hadden van paalworm en droogrot, hadden de VOC schepen toch een
levensduur van minstens 25 jaar.
Voor het behoud van historische houten schepen in deze tijd heeft het conserveren zowel een preventief als curatief karakter. Curatieve middelen hebben vaak ook een preventieve werking. Er zijn verschillende klassieke middelen, maar het is ook mogelijk om hout te verduurzamen met giftig gas of hete lucht (inwendig minstens 55 °C). Deze behandelingen kunnen alleen door gespecialiseerde bedrijven te worden uitgevoerd. Om nieuwe aantasting te voorkomen dient echter ook dan nog altijd een houtverduurzamingsmiddel te worden aangebracht.
Houtrot
vindt eigenlijk alleen plaats onder de volgende voorwaarden:
1.
Bij aanwezigheid van zuurstof.
2.
Wanneer er sprake is van hoge houtvochtigheid (groter dan 21%).
3.
Bij temperaturen van 3 tot 40 gr. °C.
4.
Bij een goede voedingsbodem (cellulose is een belangrijke bouwsteen van
hout en ook een goede voedingsbodem is voor schimmels).
Wanneer
één van deze factoren uitgeschakeld kan worden, neemt de kans op ontstaan van
houtrot sterk af. Op de factoren 1, 2 & 3 kan in de praktijk weinig invloed
worden uitgeoefend. Hierdoor blijft vooral over om de voedingsbodem ongeschikt
te maken voor schimmelgroei. Dit kan daarom dan ook alleen met een product dat
schimmeldodend werkt. Daarnaast heeft houtteer ook insectendodende eigenschappen
en kan het tot op zekere hoogte ook hout afdichten.
Over
toxiciteit van houtteer, gemaakt via het ambachtelijk productieproces in kuilen,
is nog maar weinig bekend. Beïnvloed door de biomassa industrie (waarbij
pyrolyse teren ontstaan als bijproduct) worden nu steeds meer studies uitgevoerd
naar de toxiciteit van teer. Enkele studies lijken aan te geven dat de
toxiciteit van pyrolyse teer uit hout lager is dan die van soortgelijke fossiele
olieproducten. Dit als gevolg van het feit dat in houtteer carcinogene
verbindingen zoals grote PAK’s (polycyclische
aromatische koolwaterstoffen o.a. anthraceen
of dibenzopyrenen) niet of
nauwelijks voorkomen. Dit als gevolg van de relatief lage temperaturen bij het
houtteer proces. Grote PAK’s ontstaan wanneer de reactietemperatuur oploopt
tot 700 °C, maar bij het oorspronkelijke productieproces werd houtteer gevormd
bij temperaturen van 400-500 °C.[v].
Over
de toxiciteit van teren is bekend dat bij veelvuldig contact van teer met de
huid bij sommige proefdieren huidkanker kan ontstaan. Effecten bij de mens
treden, voor zover bekend, slechts op na langdurige en veelvuldige blootstelling
aan teer, zoals bekend uit de pekindustrie aan mensen die langdurig zijn
blootgesteld aan druppels of deeltjes pek. Studies naar het risico van kanker
onder bijvoorbeeld dakbedekkers tonen aan dat dit risico erg laag tot
verwaarloosbaar is terwijl studies onder coke-oven arbeiders een hoger risico
aantonen indien de arbeiders aan hoge concentraties coke-oven gassen zijn
blootgesteld.[vi]
·
Toxiciteit dient voor mens en dier zo laag mogelijk te zijn.[vii]
·
De hoeveelheid fungicide en/of insecticide componenten in teer moet
voldoende zijn om hout afdoende te beschermen tegen houtrot.[viii]
·
Het product mag slechts een geringe oplosbaarheid in water bezitten en
voor schepen betekent dit een zeer geringe uitloging naar het oppervlaktewater.
Typische eigenschappen van verduurzamingmiddelen uit het tijdperk voor de “sanering”.
|
|
Organische metaalverbindingen | Anorganische zouten | Producten afkomstig uit teerolie |
|
|
|||
| Uitloogbaarheid | niet | gering | niet |
| Roest bevorderend | niet | sterk | niet |
| Risico van uitkristalliseren | niet | gering | niet |
| Brandbaarheid[ix] | sterk | niet | sterk |
| Geur | vrij sterk | geen | sterk |
| Doorbloeden (overschilderen) | niet | niet | sterk |
Welke middelen staan ons nu nog in de praktijk ter beschikking na de “sanering”?
In
water oplosbare anorganische zouten.[x]
Houtteer
(bruine teer), met daarin het creosootcomponent.[xi]
Teer
kan door zijn elastische eigenschappen de werking van hout goed volgen,
zowel tangiaal als radiaal. Dit is vooral van belang voor schepen welke
opgebouwd zijn uit brede houten delen. Genoemde kleefkracht en elasticiteit
a. g. v. harscomponenten in houtteer zijn tot op heden in vervangende
producten in onvoldoende mate aangetroffen.[xii]
Door
het creosoot component in houtteer heeft het product een
conserverende/verduurzamende werking. Ook deze eigenschap is voor de
vervangers tot nu toe niet haalbaar gebleken, terwijl de uitloging naar het
oppervlaktewater beperkt is.
Oppervlaktetolerantie
van teer. Dit zowel qua reinigingsgraad van de ondergrond maar tevens van de
vochtigheid ervan. Ook deze gunstige eigenschappen hebben de vervangers in
onvoldoende mate.
Hoewel
schadelijkheid van producten voor de menselijke gezondheid in die vroegmoderne
tijd nooit hoog op de agenda heeft gestaan zijn er, ondanks veel historisch
onderzoek, ook nu nog geen feiten bekend geworden van hoge sterftecijfers
onder timmerlieden of teerarbeiders uit die tijd. Ook recentere studies a. g.
v. de ontwikkeling van de biomassa industrie geven geen eenduidig
uitsluitsel over de toxiciteit van teer.
Houtteer
wordt al vele honderden jaren lang met succes toegepast als
houtverduurzamings-product. De Gouden Eeuw met haar duizenden grote en
kleinere schepen was dan ook nauw verbonden met teer. Zonder dit kleverige
goedje is het twijfelachtig of de grote houten schepen wel langdurig in de
vaart konden worden gehouden.
[i]
Kirk-Othmer; Encyclopedia of Chemical Technology.
[ii]
Tarring maintenance of Norwegian medieval stave churches.
[iii] Preparen hield in dat men van een groot aantal bomen in drie opeenvolgende jaren tijdens het voorjaar de boomschors steeds voor een derde van de omtrek verwijderde waardoor zich een dikke laag hars vormde op de stam. Heel belangrijk was het dat er een smalle strook schors over de volle lengte van de stam intact bleef waardoor de sapstroom in stand bleef en de bomen beschermde met een dikke harslaag. Waar geen schors meer aanwezig was produceren pijnbomen namelijk extra hars om de wond af te dekken zodat de bomen deze “aanslag” konden overleven.
[iv] In de VOC tijd was last een gewichtsmaat voor droge lading. Een last was 1976,4 kg, dit wordt meestal afgerond tot twee ton.
[v] Steinkohlenteers und des
Ammoniaks von dr. George Lunge, 1912
[vi]
A review of biomass pyrolysis. A.V. Bridgewater and A.S. Bridge, 1991
[vii] N.E.N. normen.
[viii] handboek S.V.S. hout en houtbescherming.
[ix] De brandbaarheid ontstaat door de vluchtige stoffen en niet door de fungicide/insecticide stof
[x] In water oplosbare anorganische zouten zijn op een houten schip niet bruikbaar omdat het een sterke corrosieve werking heeft op de ijzeren/stalen bevestigings en construktiedelen.
[xi] In houtteer is de component creosoot aanwezig wat sinds mensenheugenis bekend staat om haar antiseptische werkzaamheid. In steenkoolteer komt carbolzuur voor wat sterke gelijkenis vertoont met creosoot (en daardoor vaak ten onrechte met elkaar verward worden) maar toch duidelijk een andere stof is.
[xii]-diverse verf en conserverings-technische verslagen.